in de cel

Het is druk op de Champs-Elysées. Ik sta voor nr. 103, een groot, chique kantoorpand, op de hoek met de rue Bassano. Ik kijk naar boven, naar de eerste etage en ga in gedachten terug in de tijd. Het is 13 februari 1917. Zes mannen stappen het Elysée Palace Hotel in Parijs binnen. Het zijn politiecommissaris Albert Priolet en de vijf inspecteurs Mercadier, Curnier, Desloyères, Génelin en Frisou. Ze kloppen op de deur van kamer 131.

Mata Hari doet open. Priolet vertelt haar dat ze wordt beschuldigd van spionage voor de vijand. Ze doorzoeken haar kamer en badkamer. Alles wat ze heeft wordt in beslag genomen. Ze wordt meegenomen en voorgeleid aan kapitein Bouchardon, rapporteur van de krijgsraad. Er worden foto’s van haar genomen. Het eerste verhoor begint.

Ik sla het Dossier Secret du Conseil de Guerre (geheime dossier van de krijgsraad) open. Een dik boek met rapporten, brieven en verslagen van haar proces, bij elkaar gebracht door de Franse uitgever Jean-Pierre Turbergue. Ik heb net ontdekt dat het ook online is gepubliceerd en heb er een paar verhalen voor kranten over geschreven. Maar hier in Parijs, op de Champs-Elysées wil ik weten hoe haar laatste maanden in gevangenis Saint-Lazare zijn geweest.

Ze wordt in een donkere cel gegooid, vol ongedierte, waar de ratten vrij spel hebben. ‘Zij is zeer geëmotioneerd en nerveus’, noteert dokter Jules Soquet, nadat hij haar heeft onderzocht. ’Ze heeft bloed opgegeven, vertelde ze me. Ze menstrueert, maar haar hart en longen zijn in orde, ze heeft geen koorts. Ze kan een verhoor aan. Maar het zou beter zijn als ze een cel krijgt met iets meer licht en frisse lucht.’

‘Kapitein’, schrijft ze aan Bouchardon, haar ondervrager, ‘mijn bedoelingen zijn oprecht en ik bid u om mij niet langer gevangen te houden. Dat verdien ik niet.’

‘Kapitein. Ik heb u gevraagd om een beetje geld en u heeft me nog niets gegeven. Het meest noodzakelijke wordt mij onthouden, zelfs postzegels voor de brieven aan mijn advocaat. Ik bid u, laat me niet zo aan mijn lot over.’

‘Ik kan er niet meer tegen. Ik heb frisse lucht en beweging nodig. Ik kan hen er niet van weerhouden om mij te vermoorden, maar het heeft geen zin om mij onnodig te laten lijden. Het wordt mij te veel.’

‘Ik huil voortdurend, u hebt me te zeer laten lijden. Ik ben volslagen gek. Ik smeek u: maak hier een einde aan. Ik ben een vrouw. Dit gaat mijn krachten te boven.’

‘Ik heb vlekken op mijn lichaam. Wil hij me dood hebben? Moet ik me zelf doden?’

‘De vrouw Zelle heeft geen koorts. Wel komt de syfilis waarvoor ze een behandeling heeft gekregen toen ze in Saint-Lazare kwam, weer opzetten.’

‘Mijn advocaat heeft u gevraagd mij een foto te geven van kapitein Massloff. Ik hoop, luitenant, dat u me dat niet weigert.’

‘Wij krijgen zulke vieze rijst te eten dat honden het zouden weigeren…. De bedden zitten vol ongedierte. Ik heb de hele dag honger. Waarom, luitenant, laat u mij zo lijden? U kunt me ondervragen, maar ik ben nog altijd een vrouw.’

Het is inmiddels 25 juli 1917. De krijgsraad legt haar de doodstraf op. Ze kan het niet geloven. ‘C’est impossible. Het is niet mogelijk.’

Ik neem de metro naar Vincennes. Saint-Lazare is al lang geleden gesloopt, daar vind ik haar voetsporen niet terug. Wel in Vincennes, waar ze op de ochtend van 15 oktober 1917 wordt doodgeschoten. Ik loop achter het kasteel langs, naar de plek waarvan ik vermoed dat het daar moet zijn gebeurd.

Die 15e oktober wordt ze vroeg gewekt. Ze heeft goed geslapen, dankzij de dubbele dosis slaapmiddel die gevangenisarts dr. Bizard haar had gegeven, voordat hij haar een goede nacht wenste. Ze zit op de rand van haar bed en kleedt zich zorgvuldig aan. Kousen, een grijze japon, lange handschoenen, halve laarsjes en een driekantige hoed. Brizard biedt haar vlugzout aan. Ze slaat het af.

Ze lopen door een lange gang, ‘waar de ratten tussen onze voeten doorschoten’, schrijft Bouchardon later in zijn memoires.

‘Wees niet bang, zuster Léonide’, zegt ze. ‘Ik zal weten te sterven zonder te wankelen. U gaat een mooie dood zien.’

De twaalf militairen leggen aan en schieten. Ze zakt in elkaar.

Wachtmeester Petoy loopt naar haar toe en geeft haar het genadeschot.

Soldaat Paul Koenig, een van de twaalf leden van het executiepeloton, zei later: ‘Ik heb heel wat executies meegemaakt, maar deze was voor mij de meest aangrijpende, de meest waardige.’

Rudolph MacLeod, bijna zeshonderd kilometer verderop in Velp: ‘Wat ze ook heeft gedaan in haar leven, dit heeft ze niet verdiend.’

Ik ga terug naar mijn hotel, verdrietig.

Deze foto wordt vaak gezien als de enige echte opname van haar executie, maar komt uit een film over Mata Hari uit 1922.