denk niet dat ik slecht ben

Op tafel ligt een stapel blauwe enveloppen. Ik maak er een open en trek er voorzichtig een velletje uit, Ik voel verder, er zit nog iets in, de envelop die bij de brief hoort.

Lourens Oldersma van Tresoar, de schatkamer van Friesland, moedigt me aan, natuurlijk mag ik ze allemaal lezen, ‘toe maar, ga je gang’. Moet ik dan geen handschoenen aan om het papier niet vies te maken? Wel met foto’s, maar hierbij niet, zegt hij, met handschoenen is de kans op vlekken of beschadigingen juist groter.

Mijn handen glijden over de velletjes. Ze zijn 113 jaar oud, maar zien er nieuw uit. Het papier is dik en in vier stukken gevouwen, het knispert van de frisheid. Het lijkt wel of ze de brieven gisteren heeft geschreven.

Je voelt hoe Margaretha Zelle woord na woord, zin na zin opschrijft. Ik zie haar pen over het papier vliegen, zo dicht ben ik niet eerder bij haar geweest. Lourens kent de brieven al twee jaar, eerder dan wie ook. Zijn grootste opwinding is inmiddels wel gezakt, maar de trots is gebleven.

Hij pakt het kaartje met het stukje touw op, waarmee de 48 brieven waren samengebonden: ‘brieven Margaretha Zelle (Mata Hari), 1903 – 1904’ staat erop. Gekregen van familie van Rudolph (John) MacLeod, haar ex-man. Twee jaar lang werkte Lourens er in stilte aan om van die correspondentie een prachtig boek te maken.

Speel video af

Toen ik me twee jaar geleden in Mata Hari ging verdiepen, vond ik haar na het lezen van een paar boeken eigenlijk een irritant mens. Aanstellerig, egocentrisch, verwend en een beetje onnozel. 
Tot ik haar brieven begon te lezen, uit alle periodes in haar leven. Dan verandert  aanstellerig ineens in theatraal, egocentrisch in ambitieus, verwend in vasthoudend en onnozel in intelligent.

Ze moet vele honderden brieven hebben geschreven, soms wel zes op een dag. Als ze nu geleefd zou hebben, zou #Mata Hari als een razende gemaild en getwitterd hebben. Die brieven zeggen alles over hoe ze was en in wat voor gemoedstoestand ze verkeerde.

Mijn liefste Johnnie..
..och lieveling wat heb ik toch een medelijden met jou….trek het je maar niet aan hoor toetie. Kus me maar eens lekker en phantaseer maar dat ik bij je ben, dat doe ik zoo vaak. Nu mijn Johnnie, adieu met een heerlijke zoen van je zoo liefhebbende vrouwtje.’

Dat was in1895, het jaar dat ze verliefd werd op de militair Rudolph MacLeod (met wie ze naar Indonesië verhuisde) en nog geen idee had hoe gewelddadig hij kon zijn. Acht jaar later lagen ze in een vechtscheiding en was haar grootste zorg hoe ze, weer terug in Nederland, voor haar dochtertje Non moest zorgen, toen duidelijk was dat MacLeod geen alimentatie wilde betalen. Zonder die inkomsten was het voor een vrouw alleen onmogelijk om te overleven.

‘Waarde neef,
Ik ben moe van dat vechten tegen het leven en ik wil een van tweeën, of Nonnie bij me en een fatsoendelijke moeder zijn of ik ga leven zooals me hier zoo schitterend wordt aangeboden.’
En weg was ze, naar Parijs, waar Margaretha Zelle zich ontpopte tot de beroemde danseres Mata Hari. Met veel mannen om zich heen, maar zonder Non. ‘Denk niet dat ik slecht ben’, schreef ze in dat sterke en mooie handschrift van haar.

Non woonde voortaan bij haar vader en kreeg uit heel Europa kaartjes van haar moeder. Met steeds minder tekst, vaak alleen ‘Mama’. Je voelt het verdriet knagen, maar Mata Hari kon en wilde haar leven in Parijs niet meer opgeven. Uiteindelijk schrijft ze in 1915: ‘Lieve Nonnie. Ik verlang erg je eens te zien. Ik heb er altijd zooveel moeite voor gedaan, maar het is nooit gelukt. Wil je mij het groote plezier doen me te ontmoeten. Dat is het eenige dat ik van je verlang.’
Het gebeurde niet, MacLeod hield het tegen.

Twee jaar later zit ze in een Parijse cel, verdacht van spionage en verlaten door iedereen, zelfs haar verloofde Vadim Massloff. Aan de rechter schrijft ze:
‘Monsieur le Juge,
Ik maak me erge zorgen en ik huil voortdurend. Ik lijd er zo onder, te denken dat hij misschien dood is en dat ik niet bij hem kon zijn. U kunt zich niet indenken hoe ik lijd. Alstublieft, laat me vrij, ik kan het niet langer uithouden.’

Het is dan april 1917.
Twee maanden later wordt ze ter dood veroordeeld, in de vroege ochtend van 15 oktober is het zover. In haar cel mag ze nog enkele brieven schrijven. Ze doet het snel, maar beheerst. Haar laatste brief is aan Non. Wat er in staat, weten we niet.

De brieven werden niet verstuurd en zijn tot op de dag van vandaag onvindbaar.