buitenlandse schrijvers

Een paar maanden geleden kwam er een verzoek uit Japan, via twitter. 井上篤夫 Of Atsuo Inoue me in Nederland kan komen interviewen. Eh … Japan? Mata Hari? Atsuo wie? Vier weken later zien we elkaar in Leeuwarden. We hebben afgesproken in de lobby van het Fries Museum: ‘Je herkent me zo, want ik zal wel de enige Japanner in het museum zijn.’ Als ik het plein oploop, zie ik links ineens een man met een witte pet al aan komen rennen. Atsuo Inoue. We gaan naar de Mata Hari zaal en ik vertel hem van alles over haar en over het boek van Sam Waagenaar, dat hij nu vijftig jaar na dato in het Japans vertaalt.

Atsuo is schrijver en journalist. Dat hij zich met Mata Hari bezighoudt is doodgewoon, vindt hij. Ze is tenslotte een van de beroemdste vrouwen ter wereld, nog steeds, ook in zijn land. Overal verschijnen nog steeds boeken over haar. Kijk maar eens naar ons boekenoverzicht van Mata Hari, dan zie je dat er heel veel internationale schrijvers zijn die een boek over haar hebben geproduceerd.

Atsuo schrijft, neemt op, maakt foto’s en vraagt me ’t hemd van ‘t lijf. Hoe wist hij dat ik met Mata Hari bezig ben? ‘Ik lees je blog’, zegt hij. Ja, ja, denk ik. ‘Echt waar.’ Na afloop van het interview geeft hij me drie boeken over Mata Hari, vertaald in het Japans. ‘Vooral het boek van Julie Wheelwright heeft in Japan heel veel discussie opgeleverd’, vertelt hij.

‘Dat wist ik niet’, reageert Julie als ik haar vertel over Atsuo. Ja, wel dat haar boek het internationaal goed heeft gedaan, maar discussie, in Japan?

Julie en ik hebben elkaar leren kennen door Mata Hari. Ik las haar boek De Fatale Minnares, Mata Hari en de mythe van de vrouwelijke spion en raakte geïntrigeerd door de manier waarop zij als historicus en schrijver, maar ook als vrouw tegen Mata Hari aan keek. Ze schreef niet de zoveelste biografie, maar zette haar neer in een heel andere context.

We spraken elkaar via Skype en ik zocht haar op in de City University of London, waar ze senior lecturer is en directeur van de master creative writing and publishing. Tijdens de lunch kwam het idee naar boven om in Londen een Mata Hari Seminar te organiseren met diverse sprekers. Een jaar later is alles in kannen en kruiken en stuurt ze me het programma voor 28 oktober. Tussendoor zagen we elkaar regelmatig, zaten we allebei in een discussieprogramma van BBC Radio, hield ik bij haar universiteit een praatje en kreeg ze bij het Fries Museum een rol als adviseur.

Bij haar begon de Mata Hari fascinatie zo: ‘Een vriend van me vroeg of ik wel eens het dossier van de National Archives over Mata Hari had gelezen. Ik begon er meteen aan en was zo geïntrigeerd door haar karakter. Haar verhoor door de Britse geheime dienst in november 1916 leek wel een raar toneelstuk. Het feit dat ze met tien koffers door Europa reisde terwijl de Eerste Wereldoorlog volop aan de gang was, maakte me ontzettend nieuwsgierig. Ik las diverse biografieën, zag de mythe en wilde erachter komen wat haar verhaal nu werkelijk betekende. Ook in relatie tot dit soort internationale vrouwen, die kennelijk een bedreiging betekenden omdat ze zo onafhankelijk waren.’

‘Ik zocht Sam Waagenaar op in Rome. Hij had toen al geregeld dat hij al zijn documenten en de plakboeken aan het Fries Museum zou verkopen. Hij was grappig. Aan de ene kant vond hij het leuk om met me over Mata Hari en zijn boek te praten, aan de andere kant was hij een brommerige oude man, die andere mensen allerlei processen aandeed omdat hij vond dat ze plagiaat pleegden.

Ik was de eerste die de documenten mocht inzien die hij gebruikt had voor zijn boek, in de jaren zestig. Daarna ging ik naar Vincennes, naar het archief en ik kreeg toegang tot de dossiers van de Metropolitain Police, hier in Londen. Zo kwamen alle stukjes van de legpuzzel bij elkaar.’

‘Ik keek ook naar de andere vrouwen die tijdens WO1 veroordeeld waren en het idee van de spion/verleidster kwam steeds verder naar boven. De mythe begint niet met Mata Hari, die was er daarvoor al, maar ze wordt er wel de belichaming van. Het is de Franse geheime dienst, in de persoon van kapitein Georges Ladoux, die haar suggereert haar talent als verleidster in te zetten en informatie te krijgen van andere geheime diensten. Ik had al een boek geschreven over vrouwen die als soldaat of marinier dienden in de militaire dienst (Amazones and Military Maids). Die twee kanten heb ik vergeleken en bekeken vanuit het feministisch perspectief.’

Tja, en dan is er ineens dat boek, bijna 25 jaar geleden. Ze is er trots op, haar argumentatie werd opgepikt door andere schrijvers. Haar eigen kijk op Mata Hari veranderde weer door de publicatie, vorig jaar bij Tresoar in Leeuwarden, van de brieven die ze schreef voordat ze naar Parijs afreisde. ‘Ik bewonderde haar al voor haar moed. En nu vind haar veel sympathieker, juist door die brieven. En zeg nou zelf, dat je gewoon zegt, ik ga naar Parijs, ik wil iemand zijn. Mijn God, willen we dat niet allemaal?’

Eén vraag zou ze haar nog wel willen stellen: ‘Waar kwam dat idee vandaan om te gaan spioneren? Het verhaal dat de Duitse consul in Amsterdam aan haar deur in Den Haag klopte en haar geld bood voor bepaalde inlichtingen, vind ik wat te simpel. Die vraag heeft ze denk ik nog steeds niet beantwoord, er moet meer aan de hand geweest zijn.’

Soms zit ze nog te dubben. Moest ze haar boek nu niet opnieuw uitgeven, zoals meer schrijvers doen? Vermoedelijk niet. De naam Marthe Richard valt steeds vaker, Ook zij werd door Ladoux ingehuurd als (dubbel)spion. Na de oorlog schreef ze haar memoires, ging de politiek in en kreeg het Legioen van Eer. Mata Hari kreeg de kogel.