leren breien

Breien is net als fietsen, eenmaal geleerd, vergeet je het niet meer. Je krijgt het ‘in de vingers’. Tegenwoordig leren kinderen het breien meestal niet meer op de basisschool, maar het is nog niet zo lang geleden dat handwerken nog wel een schoolvak was. Leren breien was niet gemakkelijk. Je begon met stug katoenen garen op gladde stalen breipennen. Die waren soms stroef van de roest, door vele zweterige kinderhanden. Het ging zo: klassikaal insteken, omslaan, doorhalen, af laten glijden. Het vraagt oefening en geduld om de draad en de pennen te leren beheersen.

Juf Gorter van School 15 in Leeuwarden begreep de moeilijkheid heel goed. Het is begin jaren ’50 van de vorige eeuw. In plaats van een saaie babyslab laat ze alle meisjes van zes tot acht jaar een pop breien met blauw, wit en rood katoen. Ze beginnen bij de benen. Twee smalle stroken met ribbels en tricotsteek. Dat schiet op! Dan gaan de steken van twee benen samen op de pennen voor het lijf. Bij de schouders steken minderen, want de armen worden apart gebreid en later aangenaaid. Voor de hals en het hoofd steken minderen en weer meerderen. Zo leren de meisjes alle vaardigheden die je nodig hebt om later een trui te kunnen breien. Als het popje af is, krijgt ze een jurkje, waarvan de rok rondgebreid is op vier breipennen. Dat moet je kunnen als je sokken wilt breien.

Erna van der Ploeg (1944) heeft dit popje gebreid en ze noemt haar ‘Liesje’. Als het popje nog niet helemaal af is, emigreert ze met haar ouders naar Australië. Ze nemen bedden, stoelen en een eettafel mee. Verder is alles voor vertrek verkocht, inclusief speelgoed. Liesje is het enige stukje speelgoed dat mee mag naar Australië. Onderweg helpt haar moeder om de rode cape af te breien. In Australië deelt Liesje lief en leed met Erna. Die koestert haar en neemt haar mee als de familie in 1979 terugkeert naar Leeuwarden Nu wordt Liesje met het verhaal bewaard in het Fries Museum en is te zien in de breitentoonstelling.