doodgaan is een smerige zaak

‘Ha Willem, hallo! Hee Willem, hoe gaat het met je? Willem, goed je te zien!’ Ik kijk om me heen terwijl ik met Tomas Ross de trap oploop bij De Bezige Bij, z’n uitgever. Willem? Wie is die Willem? Tot het kwartje valt. Tomas Ross is zijn pseudoniem, hij heet gewoon Willem Hoogendoorn. Net als Mata Hari gewoon Margreet Zelle heette.

Aardige man, een aartsverteller. Geef hem 1 zin en hij maakt er tien van, of twintig, dertig. We zitten boven. De geluiden van Amsterdam waaien naar binnen. Meer dan 72 boeken heeft hij geschreven, in meer dan 72 jaar. Jeugdboeken, non fictie en thrillers, waarin hij op de scheidslijn van feiten en fictie balanceert.

Hij ziet een geel plakkertje uit De tranen van Mata Hari steken, de thriller die hij tien jaar geleden schreef en dit jaar opnieuw wordt uitgegeven. ‘Ik raak de draad kwijt’ schreef ik daarop, aangekomen op bladzij 484 van de 600. ‘Je lijkt m’n redacteur wel. Die vindt dat ook, dat er teveel gegevens in staan.’ ‘Snapt Ross het zelf nog wel?’, staat er op het gele briefje dat ik op pagina 530 heb geplakt. Ik moffel het een beetje weg, maar stel hem de vraag wel. ‘Natuurlijk’, antwoordt hij opgewekt.

Bijna al zijn boeken gaan over bestaande mensen: prins Bernhard, Pim Fortuyn, Theo van Gogh, Maxima. Maar hij bedenkt er hoofdpersonen bij die het spannend moeten maken. In Mata Hari wemelt het van de personages die wel (koningin Wilhelmina, prins Hendrik, de kleine prinses Juliana) en niet bestaan hebben. Moord, verraad, complotten, liefde, ontrouw en natuurlijk spionage, alles zit erin.

In zijn handen is Mata Hari verleidelijk, soms lief en vaak boerenslim. Stel dat hij een uur had met Mata Hari, wat zou hij dan van haar willen weten? ‘Ik zou haar van alles vragen. Wat heb je nu echt gedaan, ben je inderdaad opgeleid als spion, heb je het inderdaad met prins Hendrik gedaan.’

Het is dat prins Bernhard nog niet in beeld was in die tijd, anders had hij hem er ongetwijfeld ingevlochten. ‘Mijn broers roepen altijd, nou hou je op over die Bernhard. En dan zeg ik, ja maar jongens er is maar één schelm geweest en dat was hij. Over wie moet ik dan schrijven in Nederland. Wim Kok? Balkenende?’

Fictieschrijvers kunnen hun fantasie lekker laten gaan. “Ik mag beweren wat ik wil, journalisten en historici mogen dat niet. Mensen zeggen wel eens: “Bij u weten we nooit waar de  geschiedenis ophoudt en de fictie begint”. Maar ik vind het juist een leuke manier van geschiedenis schrijven.’

Een kilometer verderop in Amsterdam leest Céline Linssen me voor uit Duet, het boek dat ze tien jaar geleden schreef over Mata Hari. Waar Ross Mata Hari eigenlijk een bijrol geeft in een ingewikkeld complot, kruipt Linssen gulzig in haar hoofd en in haar lichaam.

Ze beschrijft de drie maanden die de flamboyante Mata Hari doorbracht in de ‘naargeestige, kale en stinkende’ vrouwengevangenis in Parijs, die gerund werd door de nonnen. ‘Ze kwam daar binnen als een schreeuwende teef, die wild om zich heen slaat. Ze ging eruit als een tot rust gekomen, charmante vrouw, die liefdevol tegen sleur Léonide, haar verzorgster, sprak: “U moet niet huilen. U gaat een mooie dood zien.’

Van Léonide maakt ze een dood vogeltje – kind van een gestorven prostituee, opgenomen door de nonnen - bij wie de zintuigen openklappen door de omgang met de sensuele, humoristische en levenslustige Mata Hari. ‘Ze gaat haar als een moeder zien. Mata Hari gaat haar, de non, zien als de dochter (Non) die ze verwaarloosd heeft.’

Speel video af

Céline Linssen

Het is fictie, gebaseerd op feiten. In Duet worden de laatste minuten niet neergezet als koketterie, waarin ze het vuurpeloton een kushand toewerpt. Ze proeft paardenstront. Vermengd met braaksel. Doodgaan is een smerige zaak’, schrijft Linssen. Als ze op mijn verzoek het laatste hoofdstuk voorleest, spuugt ze de woorden er bijna uit. Haar ogen schitteren. ‘Voor mij is het zo gegaan. Wat gebeurt er met je als je weet dat je kapotgeschoten wordt. Het is niet mooi. Maar dit is wat de Franse politiek haar heeft aangedaan.’

Het bijzondere aan Duet is dat Céline Linssen het schreef als filmscenario. Alles was klaar voor de verfilming – verhaal, spelers, regisseur, lokaties, Nederlandse subsidie -  behalve de Fransen die niet met geld over de brug kwamen. En dus werd de film een boek. Zo’n boek dat je niet loslaat, dat je gewoon twee keer achter elkaar leest.

De gevangenis Saint-Lazare is intussen allang gesloopt, maar Les soeurs de Marie Joseph bestaan nog steeds in Fresnes, zo’n 40 km buiten Parijs. ‘Ik ben bij ze langs geweest toen ik aan m’n scenario bezig was. Ik zal nooit vergeten dat soeur Marie-Paule ons laat op de avond in haar Renault 4 terugbracht naar het metrostation en plots een krachtig ‘Merde’ liet horen toen ze moest remmen voor het rode stoplicht.’

Verdomme!

En dat uit de mond van een non.